Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis
Date: 8/2/2010
Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten
Afdeling openbaarheid van bestuur
8 februari 2010
ADVIES 2010-17
over de weigering om toegang te verlenen tot het
fiscaal dossier van de aanvrager
(CTB/2010/11)
2
1. Een overzicht
overzicht
Bij brief van 26 januari 2010 vroeg mevrouw X om toegang te krijgen tot
haar fiscaal dossier. Bij brief van 28 januari 2010 werd die aanvraag
geweigerd om volgende redenen:
- Inzage verschaffen in de gevraagde documenten zou de
mogelijkheid geven om het antwoord op de vraag om inlichtingen
aan te passen aan de verkregen informatie. Gezien de vroegere
onjuiste verklaring wordt gevreesd dat het federaal fiscaal belang
in gevaar wordt gebracht als inzage wordt gegeven. Als de
openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het
federaal economisch of financieel belang, moet de administratie
overeenkomstig artikel 6, § 1, 6° van de wet van 11 april 1994
betreffende de openbaarheid van bestuur de inzage weigeren.
- De aanvrager heeft niet het vereiste belang om toegang te krijgen
tot de documenten van persoonlijke aard: het belang er is er
slechts wanneer het onderzoek uitmondt in een aanvullende
belasting.
- In belastingszaken is de openbaarheid van elk document dat de
belastingadministratie heeft aangewend slechts gewaarborgd
nadat zij aan de belastingplichtige haar standpunt inzake de
regularisatie van zijn fiscale toestand heeft bekendgemaakt.
Bij fax en brief van 5 februari 2010 diende de heer Y namens mevrouw X
een verzoek om advies in bij de Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van bestuur,
hierna Commissie genoemd. Op dezelfde datum zond hij ook een
verzoek tot heroverweging aan de fiscale administratie.
2. De ontvankelijkheid
ontvankelijkheid van de adviesaanvraag
De Commissie stelt vast dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarde van
de gelijktijdigheid van het verzoek tot heroverweging en het verzoek om
advies.
Bovendien heeft de aanvraagster het vereiste belang dat nodig is om
toegang te krijgen tot de bestuursdocumenten die als documenten van
persoonlijke aard moeten worden beschouwd, omdat zij enkel toegang
tot documenten van persoonlijke aard vraagt die op haarzelf betrekking
hebben. Er is echter slechts sprake van een document van persoonlijke
aard als het een “bestuursdocument [betreft] dat een beoordeling of een
3
waardeoordeel bevat van een met naam genoemd of gemakkelijk
identificeerbaar natuurlijk persoon of de beschrijving van een gedrag
waarvan het ruchtbaar maken aan die persoon kennelijk nadeel kan
berokkenen”. Voor de andere bestuursdocumenten moet de aanvraagster
zelfs geen belang hebben.
De Commissie is bijgevolg van mening dat het verzoek om advies
ontvankelijk is.
3. De gegrondheid van de adviesaanvraag
De Commissie stelt vast dat de fiscale administratie artikel 6, § 1, 6° van
de wet van 11 april 1994 inroept om de openbaarmaking te weigeren.
Artikel 6, § 1, 6° bepaalt dat een federale of niet-federale administratieve
overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een
bestuursdocument afwijst, wanneer zij heeft vastgesteld dat het belang
van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een
federaal economisch of financieel belang, de munt of het openbaar
krediet. Het behoort tot de vaststaande adviespraktijk van de Commissie
dat het fiscaal belang geacht wordt te vallen onder deze
uitzonderingsgrond. De Commissie is evenwel van mening dat de fiscale
administratie in dit geval onvoldoende in concreto motiveert waarom
afbreuk aan het fiscaal belang zou kunnen worden gedaan en evenmin de
vereiste belangenafweging doorvoert.
De Commissie meent dat de fiscale administratie moet nagaan of
eventueel ook artikel 6, § 1, 5° van de wet van 11 april 1994 niet moet
worden ingeroepen op grond waarvan een federale of niet-federale
administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in
afschrift van een bestuursdocument afwijst, wanneer zij heeft vastgesteld
dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de opsporing of
vervolging van strafbare feiten. Ook in dit geval moet het inroepen van
de uitzonderingsgrond op afdoende en pertinente wijze worden
gemotiveerd.
De Commissie wil benadrukken dat de uitzonderingsgronden restrictief
moeten worden geïnterpreteerd. Dit heeft tot gevolg dat slechts die
informatie aan de openbaarmaking kan worden onttrokken die onder
een uitzonderingsgrond valt. Alle andere informatie dient wel openbaar
te worden gemaakt.
4
De Commissie kan het argument van de fiscale administratie niet
bijtreden op grond waarvan het bestaan van een bijkomend recht van
toegang gegarandeerd door artikel 374 van het Wetboek van
Inkomstenbelastingen in het kader van de hoorplicht zou verhinderen
dat de aanvraagster nu al toegang tot haar fiscaal dossier zou kunnen
krijgen. Bovendien is het recht van toegang op grond van de wet van 11
april 1994 geen recht dat enkel tot doel heeft een eventueel verhaal voor
te bereiden tegen een beslissing van de fiscale administratie.
De Commissie wenst er vooralsnog op te wijzen dat de aanvraagster haar
antwoord op het verzoek om inlichtingen van de fiscale administratie
van 7 december 2009 binnen de termijnen die het Wetboek van
Inkomstenbelasting oplegt, dient te bezorgen en dat zij haar antwoord
niet kan verbinden aan het uitoefenen van het recht van toegang op
grond van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van
bestuur. Beide procedures staan immers los van elkaar.
Brussel, 8 februari 2010.
F. SCHRAM J. BAERT
secretaris voorzitter