Table des matières

Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis

Advies 109

Met betrekking tot het verkrijgen van de correspondentie uitgewisseld in het kader van de overlegprocedure tussen de Belgische en de Britse belastingdiensten met het oog op het vermijden van dubbelbelastingen

Date: 17/08/2020

Transposition

Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten

     Afdeling openbaarheid van bestuur




                   17 augustus 2020




                ADVIES 2020-109

      met betrekking tot het verkrijgen van de
 correspondentie uitgewisseld in het kader van de
 overlegprocedure tussen de Belgische en de Britse
belastingdiensten met het oog op het vermijden van
                 dubbelbelastingen

                   (CTB/2020/98)
                                                                          2

   1. Een overzicht

1.1. Bij brief van 26 oktober 2017 vragen meesters Frank Mortier en Luc
Vanheeswijck namens de heer X aan de FOD Financiën om inzage in het
fiscaal dossier van de betrokkene.

1.2. Bij brief van 15 november 2017 deelt de FOD Financiën mee dat zij
de toegang tot de gevraagde documenten moet weigeren. Daarin stelt deze
overheidsdienst dat geen toepassing moet worden gemaakt van artikel
337/1 van het WIB 92 dat ingevoerd werd bij de wet van 30 juni 2017. Zij
oordeelt dat de onderlinge correspondentie die in het kader van de
overlegprocedure tussen de internationale bevoegde autoriteiten wordt
gevoerd onder het toepassingsgebied valt van de wet van 11 april 1994,
omdat op grond van artikel 6 van deze wet de overheid gerechtigd is een
vraag om mededeling in afschrift van een bestuursdocument te weigeren
wanneer het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de
bescherming van de federale internationale betrekking. Ze wijst erop dat
de bilaterale overeenkomst de wil van twee contracterende partijen is en
dat het niet kan zijn dat één van deze partijen de andere partij verbindt
door toepassing van een interne rechtsregel. Elke miskenning van dit
principe ten aanzien van de partnerstaat zou onmiskenbaar de zekerheid
en de stabiliteit van de federale internationale en bilaterale betrekkingen
van België sterk aantasten.

1.3. Bij brief van 30 november 2017 verzoeken de aanvragers dat de FOD
Financiën haar weigering zou heroverwegen.

1.4. Bij brief van dezelfde dag vragen zij de Commissie voor de toegang
tot en het hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid
van bestuur, hierna Commissie genoemd, om een advies.

1.5. Op haar zitting van 18 december 2017 bracht de Commissie een
advies uit in deze zaak.

1.6. Bij beslissing van 8 januari 2018 wees de FOD Financiën het verzoek
tot heroverweging af.

1.7. De aanvrager stelde tegen deze beslissing een verzoek tot
nietigverklaring in bij de Raad van State op 12 maart 2018.
                                                                            3

1.8. Bij arrest nr. 247.694 van 2 juni 2020 vernietigde de afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State de beslissing van de FOD
Financiën tot afwijzing van het verzoek tot heroverweging van de
aanvrager.

1.9. Bij e-mail van 4 juni 2020 verzoekt meester Mortier om op korte
termijn een kopie te mogen ontvangen van het onderling overlegdossier.

1.10. Bij beslissing van 30 juni 2020 weigert de FOD Financiën opnieuw
om toegang te verlenen tot de gevraagde bestuursdocumenten op grond
van volgende argumentatie:


“Artikel 32 van de Grondwet zegt: “Ieder heeft het recht elk
bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen,
behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet,
het decreet of de regel bedoeld in artikel 134.” Er is hier sprake van een
algemeen belang van openbaarheid. Dit algemeen belang kan enkel aan de
kant geschoven worden door een wet, decreet of regel. In casu is dit artikel
6, § 1, 3° van de wet van 11 april 1994.

Artikel 6, § 1, 3° van de wet van 11 april 1994 bepaalt dat een
administratieve overheid de openbaarheid moet weigeren wanneer zij
vaststelt dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen het belang
van de federale internationale betrekkingen.

Er dienst hierbij dus een afweging gemaakt te worden tussen het algemeen
belang dat door artikel 32 beschermd wordt en het algemeen belang van
de federale internationale betrekkingen.

1. Federale internationale betrekkingen

Het is duidelijk dat wanneer de Belgische administratie in dit dossier de
vertrouwelijke communicatie, tussen de Britse en de Belgische
administratie, zou openbaar maken, en dit tegen de wil van de Britse
administratie, de Belgische administratie in een lastig parket terechtkomt.

De procedure voor onderling overleg is immers een procedure voorzien in
de dubbelbelastingverdragen die louter verloopt tussen partnerstaten (de
belastingplichtige treedt niet op als partij – zie punt 36 bij artikel 25 van
                                                                         4

de OESO Commentaar van 2014 bij het OESO modelverdrag) waarbij op
een vertrouwelijke, constructieve, informele en pragmatische wijze een
oplossing wordt gezocht en meestal gevonden om een concrete situatie
van dubbele belasting ongedaan te maken.

Het spreekt voor zich dat wanneer de Belgische administratie de
vertrouwelijke communicatie, die ter gelegenheid van de
overlegprocedure zowel schriftelijk als mondeling wordt gevoerd, zou
openbaar maken, en zeker indien de partnerstaat (in casu het Verenigd
Koninkrijk) zich uitdrukkelijk verzet tegen zulke openbaarmaking, dit de
relaties met de partnerstaat (in casu het Verenigd Koninkrijk) ernstig zou
beschadigen. En dit zowel voor de lopende als voor de toekomstige
overlegprocedures.

Het belang van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen de
partnerstaten in het kader van de overlegprocedure is zeer hoog, en wordt
door elke partnerstaat (in casu ook door het Verenigd Koninkrijk) als
essentieel aangemerkt en ervaren om in een ongedwongen sfeer een
oplossing te kunnen zoeken voor de voorgelegde problemen van dubbele
belasting.

Indien onze administratie echter inzage zou geven in dit dossier, is het
particulier belang van de heer X gerespecteerd, maar is het algemeen
belang niet gerespecteerd. Er zou dan immers een vertrouwensbreuk
ontstaan tussen de Belgische en Britse administratie, waardoor mogelijk
minder inlichtingen en documenten worden uitgewisseld en waardoor
Staten niet meer in een ongedwongen sfeer een oplossing kunnen zoeken
voor de voorgelegde problemen van dubbele belasting. Dit leidt dan weer
tot een verminderd vermogen om dossiers tot een goed einde te brengen,
waardoor zowel de lopende als de toekomstige dossiers met het Verenigd
Koninkrijk schade ondervinden. Dit is dan ook een algemeen belang in
deze zaak dat niet over het hoofd gezien mag worden en meer bepaald het
algemeen belang dat ‘gediend’ is met de openbaarmaking: zorgen dat
lopende en toekomstige dossiers met het Verenigd Koninkrijk op dezelfde
manier behandeld worden, met dezelfde mogelijkheden, inlichtingen en
informatie. De Belgische Staat zou immers als een onbetrouwbare partner
voor internationale samenwerking kunnen worden gecatalogeerd indien
onze dienst het recht tot inzage verleent in deze zaak tegen de wil van de
Britse administratie.
                                                                           5

In concreto is in dit dossier het belang van de federale internationale
betrekkingen in gevaar indien onze administratie inzage verleent. Het
Verenigd Koninkrijk heeft na het arrest van de Raad van State van 2 juni
2020 tot twee maal toe laten weten (in brieven van 17 juni 2020 en 19 juni
2020) dat zij in dit dossier weigeren om inzage te verlenen en dat de Britse
administratie ons ook met aandrang verzoekt om evenmin inzage te geven.
Onze administratie zou door het verlenen van inzage in dit dossier, tegen
de wil van het Verenigd Koninkrijk, diplomatieke onenigheid kunnen
veroorzaken, waardoor overleg het Verenigd Koninklijk in het bijzonder
en met andere staten in het algemeen zeer moeilijk wordt. Het belang van
de openbaarheid, gewaarborgd door artikel 32 GW, en in concreto het
particulier belang van de heer X weegt ons inziens niet op tegen het belang
van de federale internationale betrekkingen in dit concrete dossier van de
heer X, gelet op de uitdrukkelijke weigering van het Verenigd Koninkrijk
om inzage te geven in 2 brieven en gelet op het diplomatiek incident dat
hierdoor zal ontstaan.

Op basis van de concrete omstandigheden van deze zaak en meer bepaald
rekening houdende met de 2 brieven van de Britse administratie waarin
zij de Belgische overheid met aandrang verzoeken om in dit specifieke
dossier X geen inzage te verlenen in het dossier dient ons inziens gesteld
worden dat de openbaarmaking van de betrokken correspondentie niet
opweegt tegen het belang dat gediend is met de federale internationale
betrekking van België. Door het weigeren van inzage is er immers geen
vertrouwensbreuk tussen beide administraties. De Belgische administratie
zal op dezelfde manier kunnen verder werken met de Britse administratie
en voor alle dossiers zal met evenwaardige informatie of inlichtingen een
oplossing kunnen gezocht worden.

2. Weigering in het Verenigd Koninkrijk

Voorts wenst onze administratie ook te wijzen op het feit dat de stukken
waarvan de heer X inzage wenst, stukken uitgaande van de Britse
administratie zijn. In uw brief van 27 maart 2019 verklaart u onder meer:

“De heer X is van mening dat de belastingadministratie van het Verenigd
Koninkrijk informatie in zijn bezit heeft, namelijk feiten en technische
argumenten waarop de beslissing van de bevoegde autoriteiten van België
en het Verenigd Koninkrijk is gebaseerd, dat van materieel belang kan zijn
                                                                           6

voor de uitkomst van voormeld beroep, dewelke de belastingadministratie
van het Verenigd Koninkrijk verzuimt mee te delen aan de rechtbank.”
Deze inzage werd hem door de Britse administratie al eerder geweigerd
(uitdrukkelijk bevestigd in twee brieven aan onze administratie van
17/06/2020 en 10/06/2020, na het arrest van 2 juni 2020 – zie bijlage 1 en
2) en ook de rechter in het Verenigd Koninkrijk weigerde tot hier toe de
inzage (zie bijlage 3).

Naar onze mening zou het wel verlenen door onze administratie dan
indruisen tegen enerzijds de internationale betrekkingen die ons land
heeft met het Verenigd Koninkrijk en anderzijds de soevereiniteit van het
Verenigd Koninkrijk.

Bovendien heeft de inzage in de door de Britse administratie aangeleverde
documenten, gelet op de uitkomst van het onderling overleg, geen
relevantie meer voor het Belgische fiscale dossier en de Belgische fiscale
situatie van de heer X. De inzage heeft enkel een aanwijsbaar nut voor het
geschil dat de heer X heeft met de Britse belastingadministratie over zijn
fiscale situatie in het Verenigd Koninkrijk. Vanuit dat perspectief lijkt de
vraag om inzage aan de FOD Financiën op een U-bocht-constructie waar
betrokkene, nadat de inzage in de briefwisseling in het kader van het
onderling overleg is geweigerd zowel door de Britse bevoegde autoriteit
als de Britse rechter, die bij de Belgische belastingadministratie probeert
te forceren, ogenschijnlijk met het doel om die stukken in te brengen in
een discussie cq. geschil met de Britse fiscus.
Nogmaals, het zou de relatie met onze verdragspartner en met de Britse
bevoegde autoriteiten schaden, mocht de Belgische overheid hierin
meegaan.

Iedere miskenning van dit principe ten aanzien van de partnerstaat, in
casu het Verenigd Koninkrijk, zou onmiskenbaar de zekerheid en
stabiliteit van de federale internationale en bilaterale betrekkingen met
België met het Verenigd Koninkrijk sterk aantasten.

Zodoende en na afweging van de algemene belangen meent de Belgische
administratie dat de weigeringsgrond voorzien in artikel 6, § 1, 3° van de
wet van 11 april 1994 een wettelijke uitzondering vormt op het
grondwettelijk recht van openbaarheid in hoofde van de aanvrager.

Om bovenvermelde redenen wordt uw verzoek tot inzage afgewezen.”
                                                                        7



1.11. Bij aangetekende brief van 6 juli 2020 dient de aanvrager bij de
FOD Financiën een verzoek in om de beslissing van 30 juni 2020 te
heroverwegen.

1.12. Bij aangetekende brief van dezelfde dag verzoekt hij de Commissie
opnieuw om een advies.

2. De beoordeling van de adviesaanvraag

De Commissie is van mening dat zij niet kan ingaan op de nieuwe
adviesaanvraag. De Commissie stelt immers vast dat de beslissing die werd
vernietigd door het arrest nr. 247.694 van 2 juni 2020 een beslissing was
over het verzoek tot heroverweging van 8 januari 2018. Als gevolg van dit
arrest heeft de FOD Financiën, na ’s Raads arrest, een nieuwe beslissing
genomen over het meergenoemde verzoek tot heroverweging van 30
november 2017 waarover de Commissie reeds heeft geadviseerd. De
Commissie is enkel bevoegd om een advies uit te brengen over de
beslissing over een oorspronkelijke aanvraag en niet over een
eindbeslissing over een verzoek tot heroverweging. Tegen een
eindbeslissing over een verzoek tot heroverweging staat enkel een
annulatieberoep open bij de Raad van State.


Brussel, 17 augustus 2020.




   F. SCHRAM                                               K. LEUS
   secretaris                                             voorzitster