Table des matières

Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis

Advies 75

Met betrekking tot het verkrijgen van een hele reeks van documenten met betrekking tot overeenkomsten afgesloten met private veiligheidsfirma’s

Date: 11/07/2019

Transposition

Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten

      Afdeling openbaarheid van bestuur




                     11 juli 2019




                 ADVIES 2019-75

met betrekking tot het verkrijgen van een hele reeks
van documenten met betrekking tot overeenkomsten
      afgesloten met private veiligheidsfirma’s

                    (CTB/2019/69)
                                                                           2

   1. Een overzicht

1.1. Bij e-mail van 26 april 2019 vraagt de heer X ‘in het kader van een
journalistiek onderzoek naar de inzet van private beveiligingsfirma’s door
overheden” om bepaalde informatie en documenten te ontvangen, meer
bepaald alle contracten die de Veiligheid van de Staat de voorbije vijf jaar
heeft afgesloten met één van de volgende bedrijven, met hun
dochteraannemingen of met andere rechtspersonen waarin deze
rechtstreeks of onrechtstreeks participeren (via onder andere
aandeelhouderschap, outsourcing of als onderaannemer):
     G4S PLC
     Securitas AB
     SERIS Security NV
     Trigion NV
     ICTS Europe S.A.
     F.A.C.T. SECURITY SPRL
Hij wenst meer specifiek het volgende te ontvangen:
    - een afschrift van elk van deze contracten;
    - een oplijsting per jaar en per contract van de uitgaven die de
       afgelopen 5 jaar gedaan zijn in het kader van elk van de hiervoor
       vermelde contracten;
    - per contract:
            o het bedrag waarvoor een overeenkomst aangegaan is;
            o de te leveren diensten waarvoor het contract werd
               afgesloten;
            o de looptijd van deze contracten;
            o hoe vaak deze contracten al verlengd zijn;
            o of er plannen zijn om deze contracten te verlengen;
    - voor de afgelopen vijf jaar:
            o een afschrift van eventuele klachten die de Veiligheid van
               de Staat heeft ontvangen over de hiervoor vermelde
               bedrijven;
            o een afschrift van eventuele klachten die de Veiligheid van
               de Staat zelf heeft overgemaakt aan de hiervoor vermelde
               bedrijven;
            o een afschrift van eventuele ingebrekestellingen die de
               Veiligheid van de Staat heeft gestuurd naar de hiervoor
               vermelde bedrijven;
            o een oplijsting van eventuele rechtszaken en andere
               juridische procedures die de Veiligheid van de Staat heeft
                                                                          3

             aangespannen tegen de hiervoor vermelde bedrijven en de
             reden om deze procedures in te stellen;
           o een oplijsting van alle contracten die er geweest zijn
             tussen de Veiligheid van de Staat en de hiervoor vermelde
             bedrijven in het kader van het uitbesteden van diensten.

1.2. De Veiligheid van de Staat weigert bij e-mail van 22 mei 2019 de
toegang tot de gevraagde informatie “omdat de informatie over de
beveiliging van de gebouwen, de goederen en het personeel van de
Veiligheid van de Staat geclassificeerd is en enkel mag worden meegedeeld
aan personen die over een veiligheidsmachtiging en de nodige “need to
know” beschikken. De niet-geëigende aanwending van deze informatie
kan immers de kwetsbaarheden van de dienst blootleggen en zo schade
toebrengen aan de veiligheid van het land. Ook de firma’s waarmee de
Veiligheid van de Staat contracten afsluit, zijn trouwens gebonden aan een
geheimhoudingsplicht en mogen geen informatie over hun samenwerking
met de dienst bekend maken. Artikel 26 van de voormelde classificatiewet
bepaalt dat de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van
bestuur niet van toepassing is op geclassificeerde informatie. Deze regel
wordt bevestigd in artikel 6, § 2, 4° van de wet van openbaarheid van
bestuur, waarop u uw aanvraag baseert, dat uitdrukkelijk stelt dat de vraag
om een afschrift van bestuursdocumenten wordt afgewezen indien dit
afbreuk doet aan de belangen die beschermd worden door de
classificatiewet. Voornoemde redenen tonen aan dat er geen positief
gevolg kan worden gegeven aan uw verzoek tot afschrift van alle
overeenkomsten tussen de Veiligheid van de Staat en private
beveiligingsfirma’s.”

1.3. Bij e-mail van 27 juni 2019 verzoekt de aanvrager dat de Veiligheid
van de Staat haar weigering zou heroverwegen. Bij e-mail van dezelfde
dag vraagt hij de Commissie voor de toegang tot en het hergebruik van
bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van bestuur, hierna
Commissie genoemd, om een advies.

   2. De ontvankelijkheid van de aanvraag

De Commissie is van oordeel dat het verzoek om advies ontvankelijk is.
Zoals artikel 8, § 2 van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de
openbaarheid van bestuur’ (hierna: de wet van 11 april 1994) voorschrijft,
heeft de aanvrager zijn verzoek om advies aan de Commissie en het
                                                                          4

verzoek tot heroverweging aan de Veiligheid van de Staat tegelijkertijd
ingediend.

   3. De gegrondheid van de aanvraag

De Commissie wenst er de aanvrager uitdrukkelijk op te wijzen dat de
verwijzing naar het doeleinde waarvoor hij informatie en documenten
wenst te ontvangen, zijnde ‘in het kader van een journalistiek onderzoek’
niet relevant is voor de beoordeling van een aanvraag om toegang in het
kader van artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994. De
grondwetgever noch de wetgever hebben aan het bestaan van specifieke
doeleinden bijzondere rechten toegekend in het kader van de
openbaarheid van bestuur die verder zouden reiken dan wat eenieder
toekomt. Wel hebben de grondwetgever en de wetgever geen afbreuk
willen doen aan het eventueel bestaan van ruimere rechten van toegang
tot bestuursdocumenten voor zover die in andere wetgeving zijn
toegekend (artikel 13 van de wet van 11 april 1994).

Artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 huldigen
principieel het recht van toegang tot alle bestuursdocumenten. De toegang
tot bestuursdocumenten kan slechts worden geweigerd wanneer één of
meer uitzonderingsgronden kunnen of moeten worden ingeroepen die
zich bevinden in artikel 6 van de wet van 11 april 1994 en dit inroepen in
concreto en op pertinente wijze kan worden gemotiveerd. Slechts
uitzonderingsgronden die bij wet zijn opgelegd kunnen worden
ingeroepen en bovendien geldt dat ze beperkend geïnterpreteerd moeten
worden (Arbitragehof, arrest nr. 17/97 van 25 maart 1997, overweging
B.2.1 en 2.2 en Arbitragehof, arrest nr. 150/2004 van 15 september 2004,
overweging B.3.2).

De Commissie stelt evenwel vast dat de aanvraag niet enkel betrekking
heeft op bestaande documenten, maar ook op “oplijstingen”. Voor zover
deze “oplijstingen” op zichzelf niet bestaan, vloeit er noch uit artikel 32
van de Grondwet, noch uit de wet van 11 april 1994 een verplichting voort
om dergelijke lijsten met daarin gewenste informatie op te maken. Voor
zover de gevraagde lijsten niet bestaan, moet de aanvraag ongegrond
worden geacht.

De Commissie merkt daarnaast ook op dat de expliciete afwijzing van de
aanvraag tot openbaarmaking enkel betrekking heeft op het verstrekken
                                                                            5

van een afschrift van alle overeenkomsten tussen de Veiligheid van de
Staat en private beveiligingsfirma’s, terwijl de aanvraag op heel wat meer
documenten betrekking heeft. Aangezien de termijn waarbinnen de
Veiligheid van de Staat een antwoord had moeten geven verlopen is, moet
de aanvraag met betrekking tot het verkrijgen van andere documenten
impliciet geacht worden te zijn afgewezen (artikel 6, § 5, tweede lid van
de wet van 11 april 1994).

De Commissie is van oordeel dat voor zover de Veiligheid van de Staat
aantoont met verwijzing naar de toepasselijke regelgeving dat bepaalde
documenten of informatie geclassificeerd is, artikel 26, § 1 van de wet van 11
december 1998 ‘betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen,
veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’ (hierna: wet van 11 december
1998) van toepassing is. Deze bepaling houdt in dat de wet van 11 april
1994 niet op deze documenten van toepassing is en de toegang tot deze
documenten enkel mogelijk is onder de voorwaarden vermeld in de wet
van 11 december 1998.

Verkeerdelijk roept de Veiligheid van de Staat voor geclassificeerde
documenten ook artikel 6, § 2, 4° van de wet van 11 april 1994 in, wat
niet dienstig is. Voor geclassificeerde documenten geldt immers dat de wet
van 11 december 1998 primeert zodat de wet van 11 april 1994 niet van
toepassing is (zie artikel 26, § 1, van de wet van 11 december 1998) en er
dus ook geen rechtsgrondslag in de wet van 11 april 1994 te vinden is om
de toegang tot geclassificeerde documenten te weigeren.

Artikel 6, § 2, 4° van de wet van 11 april 1994 kan dan ook enkel een rol
spelen in zoverre de documenten niet geclassificeerd zijn en, zoals uit de
adviespraktijk van de Commissie blijkt, voor zover de belangen waarnaar
wordt verwezen al niet eerder in artikel 6, § 1 van de voornoemde wet
zijn vermeld.

De Commissie benadrukt dat de uitzonderingen aanwezig in artikel 6, §
2 van de wet van 11 april 1994 absolute uitzonderingsgronden zijn, wat
inhoudt dat er geen belangenafweging dient plaats te vinden tussen enerzijds
het algemeen belang dat gediend is met de openbaarmaking en het belang
dat de wetgever met de uitzonderingsgrond heeft willen beschermen. Een
belangenafweging tussen beide belangen dient slechts plaats te vinden
voor zover uitzonderingsgronden vermeld in artikel 6, § 1 en artikel 6, §
3 van de wet van 11 april 1994 van toepassing zijn. Het is
                                                                          6

dus niet correct wanneer de aanvrager beweert dat de Veiligheid van de
Staat “steeds het bredere maatschappelijk belang van de burger om op zijn
minst een minimale controle te kunnen uitoefenen op het functioneren
van de Veiligheid van de Staat als overheidsorganisatie” in overweging zou
moeten nemen. En zelfs wanneer dit voor de uitzonderingsgronden
vermeld in artikel 6, § 1 wel het geval is, dan leidt dit niet noodzakelijk
tot de openbaarmaking van de informatie die onder de daarin vermelde
belangen beschermd worden. Er dient immers een belangenafweging in
concreto plaats te vinden.

De Commissie wenst er verder op te wijzen dat adviezen die de Commissie
verleent in het kader van de administratieve beroepsprocedure steeds aan
een concrete aanvraag zijn verbonden en aan de specifieke inhoud van de
gevraagde bestuursdocumenten, zodat ze niet zomaar kunnen ingeroepen
worden om een heel andere aanvraag te ondersteunen.

De Commissie sluit niet uit dat voor zover er heel wat niet-geclassificeerde
documenten onder de aanvraag vallen, eventueel de kennelijke
onredelijkheid van de aanvraag kan worden ingeroepen. Wat de
mogelijkheid om deze uitzonderingsgrond in te roepen betreft, wil de
Commissie niettemin verwijzen naar haar advies uit eigen beweging over
dit onderwerp, namelijk advies 2019-33. Zoals alle adviezen is dit advies
op    de    website     van     de    Commissie      terug     te    vinden
(www.bestuursdocumenten.be).

Tot slot, wenst de Commissie voor zover het gaat om niet-geclassificeerde
documenten te wijzen op het principe van de gedeeltelijke openbaarheid
op grond waarvan slechts informatie aan de openbaarheid kan worden
onttrokken voor zover hierop een uitzonderingsgrond van toepassing is.
Alle andere informatie in een bestuursdocument moet vooralsnog openbaar
worden gemaakt.

Brussel, 11 juli 2019.




   F. SCHRAM                                                 K. LEUS
   secretaris                                               voorzitster