Table des matières

Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis

Advies 55

Met betrekking tot het verkrijgen van een kopie van alle studies en adviezen besteld in de huidige legislatuur

Date: 04/06/2018

Transposition

Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten

      Afdeling openbaarheid van bestuur




                     4 juni 2018




                 ADVIES 2018-55

met betrekking tot het verkrijgen van een kopie van
   alle studies en adviezen besteld in de huidige
                     legislatuur

                    (CTB/2018/52)
                                                                        2

   1. Een overzicht

1.1. Bij e-mail van 22 februari 2018 vraagt de heer Kristof Clerix aan de
Secretaris voor Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een
beperking, Grootstedenbeleid en Wetenschapsbeleid om een kopie, in
digitale vorm, van alle studies en adviezen die in de huidige legislatuur
door haar of haar voorgangster zijn besteld en waarvoor is betaald.

1.2. Bij e-mail van 22 maart 2018 antwoordt de staatssecretaris dat aan
dit verzoek niet kan worden voldaan omdat de aanvraag nog steeds te
ruim is geformuleerd. Zelfs met de toevoeging dat enkel die studies en
adviezen worden opgevraagd die werden betaald tijdens deze legislatuur,
zou het nog steeds onredelijke inspanningen vergen om een overzicht te
maken, laat staan dat hiervan de stukken bij alle diensten van de
administratie worden opgevraagd en hiervan kopieën zouden worden
gemaakt.

1.2. Tegen deze beslissing van de betrokken staatssecretaris dient de
aanvrager een verzoek in om haar weigeringsbeslissing te heroverwegen.
Bij e-mail van dezelfde dag verzoekt hij de Commissie voor de toegang
tot en het hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid
van bestuur, hierna Commissie genoemd om een advies.

   2. De ontvankelijkheid van de adviesaanvraag

De Commissie meent dat het verzoek om advies ontvankelijk is. Artikel
8, § 2 van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van
bestuur’ (hierna: wet van 11 april 1994) vereist dat de aanvrager
gelijktijdig een verzoek tot heroverweging bij de betrokken
administratieve overheidsdienst indient en een verzoek om advies richt
tot de Commissie.

Aan die verplichting van de gelijktijdigheid werd voldaan.

   3. De gegrondheid van de adviesaanvraag

Artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 huldigen
principieel het recht van toegang tot alle bestuursdocumenten. De
toegang tot bestuursdocumenten kan slechts worden geweigerd wanneer
één of meer uitzonderingsgronden kunnen of moeten worden
                                                                          3

ingeroepen die zich bevinden in artikel 6, §§ 1 en 2 van de wet van 11
april 1994 en dit inroepen in concreto en op pertinente wijze kan
worden gemotiveerd. Slechts uitzonderingsgronden die bij wet zijn
opgelegd kunnen worden ingeroepen en bovendien geldt dat ze
beperkend geïnterpreteerd moeten worden (Arbitragehof, arrest nr.
17/97 van 25 maart 1997, overweging B.2.1 en 2.2 en Arbitragehof, arrest
nr. 150/2004 van 15 september 2004, overweging B.3.2).

De wetgever kan procedureregels opleggen, maar deze mogen niet van
dien aard zijn dat het fundamentele recht op de toegang tot
bestuursdocumenten zou worden gehypothekeerd. Om die reden moeten
procedureregels zoveel mogelijk in het licht van het grondrecht soepel
worden ingevuld.

De federale  wetgever heeft het recht van toegang onderworpen aan de
vereiste om  een aanvraag schriftelijk in te dienen. Deze moet op grond
van artikel  5 van de wet van 11 april 1994 onder meer volgende
informatie   bevatten “De vraag vermeldt duidelijk de betrokken
aangelegenheid en, waar mogelijk, de betrokken bestuursdocumenten”.
Deze formulering kwam er op voorstel van de Raad van State (Parl. St.
Kamer, 1992 - 1993, nr. 1112/1, 33) als gevolg van een amendement
(Parl. St. Kamer, 1992 - 1993, nr. 1112/4, 3; Parl. St. Kamer, 1992 - 1993,
nr. 1112/13, 52). Voor deze formulering werd gekozen, omdat ze veel
minder ruimte biedt aan de administratie om de aanvraag te verwerpen
op grond van een te vage formulering. Omwille van de complexiteit van
de administratie en de afwezigheid van registers van de bij het bestuur
aanwezige bestuursdocumenten ging de wetgever ervan uit dat de
aanvrager slechts in uitzonderlijke omstandigheden precies de
documenten kan aanduiden die hij nodig heeft. Op deze wijze werd een
vergelijk gevonden tussen twee extreme houdingen: hetzij het
systematisch vragen van de precieze aanduiding van het gevraagde
document, met zijn datum en zijn officiële verwijzing, hetzij volstaan
met een loutere aanduiding van de inhoud. Om de vraag te
beantwoorden of een aanvraag voldoende duidelijk omschreven is, dient
te worden uitgegaan van de aanvrager die een grondrecht van toegang
tot bestuursdocumenten is toegekend. In welke mate is hij in de
mogelijkheid voldoende inzichtelijk te maken tot welk(e)
bestuursdocument(en) hij toegang wenst te krijgen. De wetgever heeft
trouwens ook een begrenzing ingeschreven door te bepalen dat de
aanvraag niet kennelijk te vaag geformuleerd mag zijn of niet kennelijk
                                                                           4

onredelijk mag zijn (artikel 6, § 3, 3° en 4° van de wet van 11 april 1994).
Beide gevallen vormen een grond voor de weigering mits afdoende
motivering van de weigering tot openbaarmaking.

Alhoewel de Commissie niet automatisch verwerpt dat de aanvraag als
kennelijk onredelijk moet worden beschouwd, toch oordeelt ze dat in
het licht van het arrest nr. 229.270 van 21 november 2014 de
weigeringsbeslissing te dezen niet afdoende is gemotiveerd. De
kennelijke    onredelijkheid    vormt     immers     een     facultatieve
uitzonderingsgrond ten aanzien van de principiële openbaarheid van alle
bestuursdocumenten. Facultatieve uitzonderingsgronden vergen dan ook
een zwaardere motivering, omdat de openbaarmaking niet verplicht
dient te worden afgewezen. Dit blijkt des te meer nu het verzoek
betrekking heeft op adviezen in een tijdspanne van 4 à 5 jaar. Dergelijke
aanvraag kan niet zonder meer als onredelijk worden geacht en is zeker
voldoende afgelijnd. Tot het inroepen van deze uitzonderingsgrond kan
dan ook slechts worden besloten dan na het inroepen in concreto van
meerdere redenen. Het feit dat de staatssecretaris verschillende en
uiteenlopende materies onder haar bevoegdheid heeft, is daarvan één,
maar zeker niet voldoende.

De Commissie wenst ook de rechtspraak van de Raad van State in
herinnering te brengen dat een administratieve overheid zich zo dient te
organiseren dat zij kan ingaan op een redelijk verzoek dat door een
aanvrager aan haar werd gericht (RvS arrest nr. 225.549 van 21
november 2013). Dit vloeit voort uit een positieve verplichting die uit
artikel 32 van de Grondwet wordt afgeleid.


Brussel, 4 juni 2018.




   F. SCHRAM                                                 K. LEUS
   secretaris                                               voorzitster