Table des matières

Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis

Advies 122

Met betrekking tot het verkrijgen van de goedkeuringsbeslissing van de Controledienst der Ziekenfondsen waarbij het CM de premies en franchise van het Mediko Plan kan wijzigen

Date: 17/12/2018

Transposition

Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten

    Afdeling openbaarheid van bestuur




                 17 december 2018




               ADVIES 2018-122

     met betrekking tot het verkrijgen van de
goedkeuringsbeslissing van de Controledienst der
  Ziekenfondsen waarbij het CM de premies en
   franchise van het Mediko Plan kan wijzigen

                  (CTB/2018/117)
                                                                                  2

    1. Een overzicht

1.1. Bij contactformulier van 8 oktober 2018 vraagt de heer X om een
kopie van de goedkeuringsbeslissing door de Controledienst der
Ziekenfondsen (CDZ) waarbij het CM de premies en franchise van het
Mediko Plan kan wijzigen.

1.2. Bij e-mail van 12 oktober 2018 ontvangt de heer X een
ontvangstmelding van de CDZ.

1.3. Bij e-mail van 22 oktober 2018 herhaalt de aanvrager zijn verzoek.

1.4. Bij e-mail van 24 oktober 2018 weigert de Controledienst der
Ziekenfondsen de toegang tot het gevraagde document met volgende
motivering: “In antwoord op uw verzoek om de goedkeuringsbeslissing van de
Raad van de Controledienst over te maken, deel ik u mee dat de Controledienst
niet kan ingaan op uw verzoek. De administratie baseert zich hiervoor op artikel 6,
§ 2, inleidende zin en punt 2°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur, waaruit blijkt dat de Controledienst gehouden is om
de bestuursdocumenten waarover hij beschikt, mee te delen aan de personen die
daarom vragen, behalve wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument
afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting en op artikel
59 van de wet van 6 augustus 1990 ‘betreffende de ziekenfondsen en de
landsbonden van ziekenfondsen’ dat een zwijgplicht oplegt aan de leden van de
organen en van het personeel van de Controledienst omtrent de feiten waarvan
ze wegens hun functie kennis gekregen hebben en dat als een dergelijke bij wet
ingestelde geheimhoudingsverplichting moet beschouwd worden. Bovendien is
geen enkele van de in deze wetsbepaling aangehaalde uitzonderingen op deze
zwijgplicht van toepassing op uw vraag om de goedkeuringsbeslissing te kunnen
krijgen voor de aanpassing van de premies en de waarborg van het CM-MediKo
Plan. De schending van deze zwijgplicht wordt gestraft met de straffen gesteld in
artikel 458 van het Strafwetboek.”

1.5. Bij e-mail van 24 oktober 2018 stelt de aanvrager dat artikel 59 van
de wet van 6 augustus 1990 geen geheimhoudingsplicht oplegt aan de
Controledienst als bestuur, maar enkel aan de individuele leden van de
Raad en van het Technisch Comité van de Controledienst, de
personeelsleden van deze Dienst en de revisoren. Hij merkt op dat zijn
verzoek tot openbaarmaking niet gericht is aan de Controledienst en niet
aan deze individuen en dat moet worden aangetoond dat de
Controledienst als bestuur onderworpen is aan een wettelijke
geheimhoudingsplicht, los van de zwijgplicht van haar (personeels)leden.
                                                                          3

Hij verwijst daarbij naar het arrest nr. 231.194 van 12 mei 2015 van de
Raad van State.

1.6. Bij e-mail van 25 oktober 2018 bevestigt de Controledienst der
Ziekenfondsen de ontvangst van de e-mail van 24 oktober 2018.

1.7. Bij e-mail van 14 november 2018 deelt de Controledienst der
Ziekenfondsen aan de aanvrager mee dat in toepassing van artikel 6, § 5
van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’
(hierna: wet van 11 april 1994), zij zich niet kan uitspraken over de
aanvraag binnen de wettelijk voorziene termijn van dertig dagen en ze
verlengt de termijn met vijftien dagen. Er wordt hem gemeld dat hij
uiterlijk op 8 december 2018 op de hoogte zal worden gebracht van de
beslissing van de Raad.

1.8. Bij e-mail van 3 december 2018 deelt de Controledienst der
Ziekenfondsen de beslissing van de Raad over de aanvraag tot
openbaarmaking aan de aanvrager mee. De argumentatie luidt als volgt:

     “- Zoals eerder meegedeeld, baseert de Controledienst zich hiervoor
     op artikel 6, § 2, inleidende zin, en punt 2°, van de wet van 11 april
     1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, waaruit blijkt dat de
     Controledienst gehouden is om de bestuursdocumenten waarover hij
     beschikt, mee te delen aan de personen die daarom vragen, behalve
     wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk
     doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting.

     Artikel 59 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de
     ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen legt een
     zwijgplicht op aan de leden van de Raad en van het Technisch Comité
     van de Controledienst, de personeelsleden van deze dienst, de
     revisoren bedoeld in artikel 32, alsook de personen die voorheen
     voornoemde functies hebben uitgeoefend, omtrent de feiten
     waarvan ze wegens hun functie kennis gekregen hebben, dat als een
     dergelijke bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting moet
     beschouwd worden.

     - Artikel 59 dient echter samen gelezen te worden met artikel 65, § 1
     van de wet van 6 augustus 1990 dat stelt dat “Elke overtreding van
     artikel 59 van deze wet wordt gestraft met de straffen gesteld in
     artikel 458 van het Strafwetboek”. Hoewel de ‘zwijgplicht’ niet
                                                                                           4

       formeel als geheimhoudingsplicht wordt omschreven, heeft deze
       verwijzing tot gevolg dat het als een daadwerkelijk ‘beroepsgeheim’
       aanzien moet worden.

       - Indien men artikel 59 in zijn totaliteit bekijkt, dan blijkt uit de
       gehanteerde bewoordingen duidelijk dat de zwijgplicht niet louter
       betrekking heeft op de leden van de organen en de personeelsleden,
       maar eveneens op de Controledienst als instelling. In uitzondering op
       het eerste lid, somt het tweede lid van artikel 59 immers een
       limitatieve lijst op van de situaties waarbij het geoorloofd is voor de
       Controledienst, als instelling, om af te wijken van voornoemde
       zwijgplicht.

       Er moet overigens op gewezen worden dat de zwijgplicht niet louter
       betrekking heeft op de Controledienst als instelling, haar organen en
       de personeelsleden, maar dat dit ruimer is, aangezien dit
       daarenboven van toepassing is op de revisoren bedoeld in artikel 32
       van voornoemde wet van 6 augustus 1990, alsook aan de personen
       die voorheen de voornoemde functies hebben uitgeoefend, ondanks
       dat zij geen (of iet langer) deel uitmaken van de Controledienst als
       instelling.

       - De Raad merkt op dat de situatie van de aangevoerde elementen in
       het door u aangehaalde situatie en de aangevoerde elementen in het
       door u aangehaalde arrest van de Raad van State (R.v.S. 12 mei 2015,
       nr. 231.194) niet geheel gelijklopend zijn met deze situatie.

       De ‘zwijgplicht’ voorzien in artikel 59 van voornoemde wet leunt
       veeleer aan bij andere uitspraken van de Raad van State, waarbij
       laatstgenoemde oordeelde dat dergelijke wetgeving aanzien moet
       worden als een bijzondere wet ten opzichte van de wet van 11 april
       1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, niet alleen omdat zij
       van een latere datum is 1 , maar ook een vooral omdat het
       toepassingsgebied ervan een beperkte categorie van personen of
       overheden beoogt waarvan de activiteit op een welbepaald domein
       situeert.2 De Commissie toegang tot bestuursdocument deelt deze
       zienswijze en oordeelde in het verleden reeds dat dergelijke gevallen


1
  Artikel 59 van de wet van 6 augustus 1990 werd volledig vervangen door artikel 146 van
de wet van 22 december 2003 (B.S. 31 december 2003) en laatst gewijzigd door artikel 24
van de wet van 26 april 2010 (B.S. 28 mei 2010) en artikel 91 van het koninklijk besluit van
3 maart 2011 (B.S. 9 maart 2018).
2
  R.v.S. 7 maart 2003, nr. 116.762.
                                                                                       5

      aanzien moeten worden als een door de wet verplichte
      geheimhouding.1

      De Controledienst moet ook aanzien worden als een specifieke
      categorie wiens taken past in een nauw omschreven kader.
      Aangezien de enige reden waarom de Controledienst over de
      informatie in dit dossier kan beschikken past in deze
      controlebevoegdheid, menen wij dat de uitzondering op de
      openbaarheid van bestuur vervat in artikel 6, § 2, 2°, van de wet op
      de openbaarheid van bestuur hier van toepassing is.

      Tot slot wordt opgemerkt dat de wet voor dergelijke dossiers,
      ingediend in het kader van de procedure voorzien in artikel 504 van
      de wet van 13 maart 2016, expliciet in een weliswaar beperkte mate
      van publiciteit voorziet. Artikel 507, tweede lid, van laatstgenoemde
      wet bepaalt immers dat een uittreksel van de beslissing van de
      Controledienst gepubliceerd moet worden in het Belgisch Staatsblad.
      Uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 13 maart
      2016, blijkt dat deze publicatie van een uittreksel van de beslissing in
      het Belgisch Staatsblad, naar het oordeel van de wetgever, voor de
      nodige transparantie zorgt en aanzien van de verzekerden.2 Zoals
      eerder meegedeeld zal dit binnen afzienbare tijd gepubliceerd
      worden in het Belgisch Staatsblad.

      Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat het openbaar maken van de
      beslissing van de Raad afbreuk zou doen aan een bij wet ingestelde
      geheimhoudingsverplichting (cf. artikel 6, § 2, 2°, van de wet van 11
      april 1994). Om die reden heeft de Raad van de Controledienst
      beslist om uw aanvraag tot openbaarmaking van de beslissing van de
      Raad m.b.t. het dossier, dat werd ingediend in toepassing van artikel
      504 van de wet van 13 maart 2016 door de MOB Verzekeringen CM-
      Vlaanderen (150/01) voor het product MediKo Plan, af te wijzen.”

1.9. Omdat de aanvrager het niet eens is met dit standpunt dient hij bij e-
mail op 3 december 2018 een verzoek tot heroverweging in bij de
Controledienst der Ziekenfondsen. Hij verzoekt in dezelfde e-mail van 3
december 2018 dat de Commissie zich zou uitspreken over de weigering.

1
  Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, advies van 28 maart 2007, nr.
2007/23; Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, advies van 31 maart 2014,
nr. 2014/29 (advies verleend m.b.t. de weigering om toegang te verlenen tot verslagen van
een mutualiteit door de Controledienst).
2
   Wetsontwerp op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen, Parl.St. Kamer 2015-2016, 54-1584/001, pg. 272.
                                                                        6



   2. De ontvankelijkheid van de aanvraag

De Commissie is van mening dat de aanvraag niet ontvankelijk is. De e-
mail van de aanvrager van 24 oktober 2018 moet immers worden
beschouwd als een verzoek tot heroverweging in de zin van artikel 8, §
2, van de wet van 11 april 1994. De wetgever heeft immers geen
bijzondere eisen gesteld aan een verzoek tot heroverweging dan dat de
aanvrager zich tot dezelfde administratieve overheid richt aan wie hij
zijn oorspronkelijk verzoek heeft gericht en hij te kennen geeft dat hij
moeilijkheden ondervindt om de raadpleging of de verbetering van een
bestuursdocument op grond van deze wet te verkrijgen. Ook al moet
gebeurlijk worden vastgesteld dat de beslissing van 24 oktober 2018
mogelijk niet door een daartoe bevoegde persoon werd genomen, toch
betekent dit niet dat ze niet werd genomen of niet bestaat. De beslissing
van 3 december 2018 moet dan ook worden beschouwd als een
eindbeslissing over het door de aanvrager ingediende verzoek tot
heroverweging van 24 oktober 2018. De Commissie heeft te dezen dan
ook geen enkele bevoegdheid meer, ook al verwijst de Controledienst der
Ziekenfondsen ten onrechte naar de administratieve beroepsprocedure in
artikel 8, § 2 van de wet van 11 april 1994.

Niets belet dat de aanvrager de volledige procedure overdoet, wat
inhoudt dat hij, na een oorspronkelijke, desgevallend, nieuwe aanvraag,
bij (gedeeltelijke) weigering ervan, of na verloop van een termijn van
dertig dagen zowel een verzoek tot heroverweging aan de Controledienst
der Ziekenfondsen als een verzoek om advies aan de Commissie
tegelijkertijd moet versturen, rekening houdend met het voorgaande.


Brussel, 17 december 2018.




   F. SCHRAM                                               K. LEUS
   secretaris                                             voorzitster