Table des matières

Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis

Advies 56

Met betrekking tot de weigering om toegang te verlenen tot het volledige fiscaal dossier

Date: 18/12/2017

Transposition

Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten

    Afdeling openbaarheid van bestuur




                18 december 2017




               ADVIES 2017-56

 met betrekking tot de weigering om toegang te
   verlenen tot het volledige fiscaal dossier
                  (CTB/2017/90)
                                                                        2

   1. Een overzicht

1.1. Bij brief van 31 oktober 2017 vraagt meester Romain Vandebroek,
namens de BVBA Bumaco Koeltechniek aan de FOD Financiën om
inzage van het volledige administratieve dossier van zijn cliënt.

1.2. Bij brief van 10 november 2017 wijst de FOD Financiën de
aanvraag tot inzage gedeeltelijk af, meer bepaald de toegang tot 3
documenten die verklaringen bevatten van andere personen. “Door de
inzage zou immers de verdere medewerking van de betrokken personen
in het gedrang komen. De kans bestaat immers zeer reëel dat op de
desbetreffende personen druk zou worden uitgeoefend, waardoor het
moeilijker zou worden voor de administratie om belastbare en misschien
zelfs strafbare feiten in deze zaak op te sporen, en waardoor
mogelijkerwijze, ook een gevaar voor de openbare orde zou kunnen
ontstaan. Deze vroegtijdige mededeling zou m.a.w. het succes van de
hele actie op de helling zetten. Indien het onderzoek voortijdig zou
eindigen zonder dat alle aspecten hiervan grondig zouden kunnen
worden onderzocht, lijdt het geen twijfel dat dit de concrete financiële
resultaten van het desbetreffende onderzoek nadelig zal beïnvloeden.
Onze dienst is derhalve van oordeel dat de bescherming van het belang
van de opsporing van strafbare feiten, de bescherming van het federaal
economisch belang en de bescherming van de openbare orde in het
desbetreffende geval niet opwegen tegen het belang van de openbaarheid
en dat derhalve de uitzonderingsgronden bepaald in artikel 6, § 1, 4°, 5°
en 6° van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur van 11 april
1994 dienen te worden ingeroepen om de inzage in die bedoelde passages
en stukken te weigeren.”

1.3. Bij brief van 20 november 2017 vraagt de heer W. Defoor dat de
FOD Financiën zijn beslissing tot gedeeltelijke weigering zou
heroverwegen. Tegelijkertijd vraagt hij de Commissie voor de toegang tot
en het hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van
bestuur, hierna Commissie genoemd, om een advies.

   2. De ontvankelijkheid van de adviesaanvraag

De Commissie is van mening dat het verzoek om advies ontvankelijk is.
Het verzoek om advies aan de Commissie en het verzoek tot
heroverweging gericht aan de FOD Financiën werden immers gelijktijdig
                                                                         3

ingediend zoals artikel 8, § 2 van de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur voorschrijft.

3. De gegrondheid van de adviesaanvraag

Artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur huldigen principieel het recht van toegang tot
alle bestuursdocumenten. De toegang tot bestuursdocumenten kan
slechts worden geweigerd wanneer één of meer uitzonderingsgronden
kunnen of moeten worden ingeroepen die zich bevinden in artikel 6, §§
1 en 2 van de wet van 11 april 1994 en dit inroepen in concreto en op
pertinente wijze kan worden gemotiveerd. Slechts uitzonderingsgronden
die bij wet zijn opgelegd kunnen worden ingeroepen en bovendien geldt
dat ze beperkend geïnterpreteerd moeten worden (Arbitragehof, arrest
nr. 17/97 van 25 maart 1997, overweging B.2.1 en 2.2 en Arbitragehof,
arrest nr. 150/2004 van 15 september 2004, overweging B.3.2).

De Commissie wenst er op te wijzen dat, anders dan de verzoeker
voorhoudt, de inzage in informatie in een bestuursdocument aan een
belastingplichtige kan worden geweigerd als een of meer
uitzonderingsgronden kunnen worden ingeroepen. Wel kunnen in
principe geen uitzonderingsgronden worden ingeroepen tegen diegene
die erdoor wordt beschermd.

De Commissie ziet niet in hoe afbreuk zou kunnen worden gedaan aan
de openbare orde door de openbaarmaking van de documenten die
verklaringen bevatten van personen. In elk geval wordt op geen enkele
wijze met concrete elementen aangetoond dat voldaan is aan de vereisten
om artikel 6, § 1, 4° van de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur in te roepen op grond waarvan een
administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in
afschrift van een bestuursdocument afwijst, wanneer zij heeft vastgesteld
dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming
van de openbare orde, de veiligheid of de verdediging van het land. Aan
het begrip openbare orde mag immers ook geen ruime invulling worden
gegeven en dient in publiekrechtelijke zin te worden begrepen.

Ook wat de andere uitzonderingsgronden betreft is de Commissie van
oordeel dat de fiscale administratie onvoldoende in concreto aantoont
waarin de betrokken informatie in de gevraagde bestuursdocumenten
                                                                          4

afbreuk zou doen aan de door de wet beschermde belangen die worden
ingeroepen. Er is immers vereist dat telkens in concreto wordt
aangetoond waarin die schade zou kunnen liggen en hoe bovendien het
belang van de openbaarheid moet worden afgewogen tegen het
beschermde belang.

Niettemin in zoverre behoorlijk in concreto kan worden verantwoord,
moet volgens de Commissie eventueel artikel 6, § 1, 5° van de wet van 11
april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur worden ingeroepen
voor zover de fiscale administratie aantoont dat het belang van de
openbaarheid niet opweegt tegen het belang van de opsporing en
vervolging van strafbare feiten. Dit houdt in dat met concrete elementen
wordt aangetoond dat in één of meer documenten informatie aanwezig is
waarvan de openbaarmaking schade zou kunnen toebrengen aan de
opsporing en de vervolging van strafbare feiten. In elk geval is in casu
geen algemeen belang gediend met de openbaarmaking van deze
informatie, maar enkel een particulier belang. Er dient met dit particulier
belang geen rekening te worden gehouden bij de afweging van
beschermde belangen.

Onder dezelfde voorwaarden sluit de Commissie niet uit dat artikel 6, §
1, 6° van de wet van 11 april 1994 moet worden ingeroepen wanneer de
fiscale administratie zou vaststellen dat het belang van de openbaarheid
niet opweegt tegen het belang van een federaal economisch of financieel
belang, de munt of het openbaar krediet. In heel wat adviezen van de
Commissie, maar ook uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat
het fiscaal belang onder dit door de wetgever beschermde belang moet
worden begrepen. Ook hier geldt evenwel dat niet kan worden volstaan
met vage bewoordingen en door op algemene wijze te verwijzen zonder
enige concrete verwijzing naar de situatie van de belastingplichtige zelf.
Motieven van algemene aard die op gelijk welke belastingplichtige van
toepassing zouden kunnen zijn, volstaan niet om het recht van toegang
te weigeren (RvS, arrest nr. 71.688, 9 februari 1988, FJF 1999, 393).

De uitzonderingsgronden in artikel 6, § 1 van de wet van 11 april 1994
veronderstellen van het bestuur een belangenafweging in concreto
waarbij openbaarheid enkel kan worden geweigerd indien het bestuur na
een onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak vaststelt dat
de openbaarmaking niet opweegt tegen de bescherming van het
betrokken belang, dit in tegenstelling tot de uitzonderingsgronden in
                                                                     5

artikel 6, § 2 van de wet van 11 april waarbij van zodra de informatie
onder de betrokken uitzonderingsgrond valt, de openbaarheid moet
worden geweigerd en geen belangenafweging plaatsvindt.


Brussel, 18 december 2017.




   F. SCHRAM                                            K. LEUS
   secretaris                                          voorzitster