Table des matières

Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis

Advies 71

Met betrekking tot de weigering toegang te geven tot een proces-verbaal van vaststellingen en verklaringen

Date: 1/8/2016

Transposition

Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten

      Afdeling openbaarheid van bestuur




                    1 augustus 2016




                  ADVIES 2016-71

met betrekking tot de weigering toegang te geven tot
een proces-verbaal van vaststellingen en verklaringen
                     (CTB/2016/68)
                                                                        2

1. Een overzicht

1. Bij mail van 15 juni 2016 vraagt de heer Thierry Lauwers, namens zijn
cliënt, de heer X, aan de FOD Financiën om een kopie van een proces-
verbaal van vaststellingen en verklaringen opgesteld op 16 juli 2013 naar
aanleiding van een “verhoor” van de heer Y. Het betreft één van de
bijlagen bij het proces-verbaal van vaststellingen opgesteld door de heer
Van Haecke lastens de BVBA B&V Projects van 15 januari 2014.

2. Bij mail van 23 juni 2016 herhaalt de heer Thierry Lauwers zijn
   aanvraag.

3. Bij mail van 23 juni 2016 antwoordt de FOD Financiën dat de vraag
goed werd ontvangen, maar dat deze niet onmiddellijk beantwoord kan
worden.

4. Bij mail van 19 juli 2016 weigert de FOD Financiën de toegang te
verlenen     zich   beroepend     op    de   bij   wet      ingestelde
geheimhoudingsverplichting van artikel 337 WIB92. Hij stelt ook dat de
rechter in dat geding moet beslissen of de openbaarmaking aan
gerechtvaardigd is.

5. Omdat de aanvrager het niet eens is met dit standpunt, richt hij bij
brief van 20 juli 2016 een verzoek tot heroverweging tot de FOD
Financiën. Bij brief van dezelfde dag vraagt hij de Commissie voor de
toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling
openbaarheid van bestuur, hierna Commissie genoemd om een advies.

   2.    De ontvankelijkheid van de adviesaanvraag

De Commissie is van mening dat de aanvraag ontvankelijk is. De
adviesaanvrager heeft immers voldaan aan de wettelijke vereiste van de
gelijktijdigheid van het verzoek tot heroverweging aan de FOD
Financiën en het verzoek om advies aan de Commissie.

   3. De gegrondheid van de adviesaanvraag

Voorafgaandelijk wenst de Commissie op te merken dat er een
fundamenteel onderscheid bestaat tussen enerzijds de toegang tot
documenten in het kader van een procedure voor een rechter en
                                                                        3

anderzijds de toegang tot bestuursdocumenten op grond van de
openbaarheidswetgeving. Waar in het eerste geval de toegang nauw
verbonden is met de gelijkwaardigheid van de partijen en het recht op
verdediging in het kader van een procedure voor de rechter en wordt
toegekend voor zover het verkrijgen van documenten leidt tot het
oplossen van het geschil dat voor de rechter is gebracht, wordt het recht
van toegang die iemand krijgt tot bestuursdocumenten die op hemzelf
betrekking hebben uitgeoefend binnen het kader van een publiekrecht
van toegang. Het gevolg is dan ook dat de rechter in het eerste geval de
toegang kan toekennen los van het feit of er eventueel
uitzonderingsgronden die op de bepaalde informatie van toepassing
kunnen zijn binnen het kader van de openbaarheidswetgeving. In het
geval van de toepassing van de openbaarheidswetgeving mag geen
rekening worden gehouden met het doel dat met het verkrijgen van de
bestuursdocumenten wordt beoogd. Bovendien geldt dat waar
uitzonderingsgronden een relatief karakter hebben het door de wetgever
beschermde belang enkel kan worden afgewogen met het algemeen
belang dat gediend is met de openbaarmaking en niet met het bijzonder
belang dat iemand kan hebben om toegang te krijgen tot een
bestuursdocument. De aanvrager blijkt beide vormen van het verkrijgen
van informatie te verwarren.

De Commissie kan zich enkel uitspreken in welke mate de
openbaarheidswetgeving werd gerespecteerd bij de weigering tot
openbaarmaking van de nog niet openbaar gemaakte informatie in het
gevraagde proces-verbaal, waarvan de aanvrager een ‘gekuiste’ versie
heeft ontvangen in het kader van het nog lopende proces.

Artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur huldigen principieel het recht van toegang tot
alle bestuursdocumenten. De toegang tot bestuursdocumenten kan
slechts worden geweigerd wanneer het belang ontbreekt voor de toegang
tot een document van persoonlijke aard en wanneer één of meer
uitzonderingsgronden kunnen of moeten worden ingeroepen die zich
bevinden in artikel 6 van de wet van 11 april 1994 en dit inroepen in
concreto en op pertinente wijze kan worden gemotiveerd. Slechts
uitzonderingsgronden die bij wet zijn opgelegd kunnen worden
ingeroepen en bovendien geldt dat ze beperkend geïnterpreteerd moeten
worden (Arbitragehof, arrest nr. 17/97 van 25 maart 1997, overweging
                                                                         4

B.2.1 en 2.2 en Arbitragehof, arrest nr. 150/2004 van 15 september 2004,
overweging B.3.2).

In principe geldt voor de fiscale administratie niet dat de documenten als
documenten van persoonlijke aard kunnen worden gekwalificeerd. Een
document van persoonlijke aard is een “bestuursdocument dat een
beoordeling of een waardeoordeel bevat van een met naam genoemd of
gemakkelijk identificeerbaar natuurlijk persoon of de beschrijving van
een gedrag waarvan het ruchtbaar maken aan die persoon kennelijk
nadeel kan berokkenen”. Als een document van persoonlijke aard moet
wel worden beschouwd informatie die gedragingen beschrijft van de
belastingplichtige die als fiscale fraude kunnen worden beschouwd of
beoordelingen die daarop betrekking hebben. Voor de toegang tot deze
documenten is een belang vereist. De belastingplichtige heeft het
vereiste belang voor dergelijke informatie als deze informatie op hemzelf
betrekking heeft. Hij kan ook het vereiste belang aantonen voor
informatie die op andere natuurlijke personen dan hemzelf betrekking
heeft. De Commissie oordeelt dat de aanvrager in casu het vereiste
belang heeft voor informatie van persoonlijke aard die op hemzelf
betrekking heeft en voor informatie die op andere personen betrekking
heeft voor zover die informatie van belang is voor zijn eigen
rechtspositie.

Het hebben van het vereiste belang betekent nog niet dat er geen
uitzonderingsgronden moeten of kunnen worden ingeroepen.

Ten     aanzien     van   een     belastingplichtige   kunnen     twee
uitzonderingsgronden niet ingeroepen worden als de informatie op
hemzelf betrekking heeft. Dit is het geval voor informatie waarvoor in
principe de openbaarmaking moet worden geweigerd, omdat de
openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer zoals vermeld in artikel 6, § 2, 1° van de wet van 11 april
1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Ook de uitzonderingsgrond van artikel 6, § 2, 2° van de wet van 11 april
1994 kan in principe niet worden ingeroepen tegen de belastingplichtige
als de informatie op hemzelf betrekking heeft. Deze uitzonderingsgrond
bepaalt dat een administratieve overheid de openbaarheid moet weigeren
wanneer deze afbreuk zou doen aan een bij wet bepaalde
geheimhoudingsbepaling. Het fiscaal geheim op grond van artikel 337
                                                                          5

WIB 92 in combinatie met artikel 6, § 2, 2° van de wet van 11 april 1994
kan dan ook niet worden ingeroepen wanneer de informatie betrekking
heeft op informatie van een andere persoon dan de betrokkene die op
directe wijze een invloed heeft op de belastingtoestand van de
betrokkene. Dit geldt natuurlijk niet wanneer de informatie enkel op
deze andere persoon en louter op diens belastingtoestand betrekking
heeft. Bovendien is het fiscaal geheim op grond van artikel 337 WIB 92
slechts van toepassing op al wie optreedt bij de toepassing van de
belastingwetten “buiten het uitoefenen van zijn ambt”. Over de precieze
betekenis van deze formulering bestaat in de rechtspraak grote
onduidelijkheid: er kan zowel rechtspraak in de ene als in de andere
richting worden teruggevonden.

Het feit dat beide uitzonderingsgronden in de hiervoor geschetste
specifieke omstandigheden niet ingeroepen kunnen worden, betekent
niet dat het inroepen van andere uitzonderingsgronden zou uitgesloten
zijn. De Commissie wijst in dit verband op artikel 6, § 1, 6° van de wet
van 11 april 1994 dat bepaalt dat een administratieve overheid de
openbaarheid moet weigeren wanneer ze vaststelt dat de openbaarheid
niet opweegt tegen de bescherming van een federaal economisch of
financieel belang, de munt of het openbaar krediet, waaronder ook het
fiscaal belang moet worden begrepen. Daarnaast moet de fiscale
administratie rekening houden met de uitzonderingsgrond aanwezig in
artikel 6, § 1, 5° van de wet van 11 april 1994 op grond waarvan een
fiscale administratie de openbaarheid moet weigeren wanneer deze
afbreuk doet aan de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Verder
bepaalt artikel 6, § 1, 8° dat een administratieve overheid geen informatie
in bestuursdocumenten mag openbaar maken waardoor de
geheimhouding van de identiteit van de persoon die het document of de
inlichting vertrouwelijk aan de overheid heeft toevertrouwd in het
gedrang zou komen. Het spreekt wel voor zich wanneer onmiskenbaar
de identiteit bij de aanvrager al gekend is. Ten slotte wil de Commissie
ook artikel 6, § 3, 2° van de wet van 11 april 1994 onder de aandacht
brengen op grond waarvan een federale administratieve overheid de
openbaarmaking kan afwijzen wanneer de aanvraag betrekking heeft op
een advies of een mening die uit vrije wil en vertrouwelijk aan de
overheid is meegedeeld. Bij het inroepen van deze uitzonderingsgronden
moet steeds aan de specifieke voorwaarden zijn voldaan die voor elk van
hen gelden. Bovendien moet de weigering tot openbaarmaking steeds in
concreto worden gemotiveerd. Het komt toe aan de fiscale administratie
                                                                6

om na te gaan of deze uitzonderingsgronden al dan niet moeten of
kunnen worden ingeroepen en tot afdoende te motiveren.




Brussel, 1 augustus 2016.




   F. SCHRAM                                      M. BAGUET
   secretaris                                     voorzitster