Table des matières

Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis

Advies 41

Met betrekking tot een vraag om toelichting over de toepassing van de openbaarheidswetgeving op inspectiedocumenten in het bezit van de POD Maatschappelijke Integratie

Date: 2/6/2014

Transposition

Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten

      Afdeling openbaarheid van bestuur




                     2 juni 2014




                 ADVIES 2014-41

met betrekking tot een vraag om toelichting over de
  toepassing van de openbaarheidswetgeving op
  inspectiedocumenten in het bezit van de POD
           Maatschappelijke Integratie
                    (CTB/2014/31)
                                                                          2

   1. Een overzicht

Bij mail van 6 mei 2014 vraagt mevrouw Anne-Marie Voets, directeur-
generaal Algemene Diensten van de POD Maatschappelijke Integratie
om een standpunt van de Commissie naar aanleiding van een vraag van
een journaliste van ‘De Standaard’, tot inzage van de Inspectiedienst voor
een bepaald aantal OCMW’s. Zij wil meer bepaald weten of
inspectieverslagen, opgesteld op basis van de controle ter plekke bij het
OCMW en uitsluitend gericht aan de voorzitter van dat OCMW, onder
de wetgeving betreffende de openbaarheid van bestuur valt en indien dit
het geval is of de toegang kan worden geweigerd omwille van het
vertrouwelijk karakter van de ondernemingsgegevens, omwille van de
vermelding van persoonsgegevens of omwille van informatie over de
interne werking van het OCMW in kwestie. Verder vraagt ze als de
rapporten ter beschikking moeten worden gesteld op welke wijze dit
moet gebeuren.

   2. De ontvankelijkheid van de adviesaanvraag

Aangezien de POD Maatschappelijke Integratie een federale
administratieve overheid is, kan zij op grond van artikel 8, § 3 van de wet
van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur een verzoek
om advies richten aan de Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van bestuur,
hierna Commissie genoemd. De Commissie heeft echter steeds
geoordeeld dat zij in dit kader niet kan ingaan op specifieke aspecten die
verband houden met een concrete aanvraag, maar enkel kan ingaan op
algemene interpretatievragen.

   3. De gegrondheid van de adviesaanvraag

Artikel 1, tweede lid, 2° van de wet van 11 april 1994 omschrijft een
bestuursdocument als “alle informatie, in welke vorm ook, waarover een
administratieve overheid beschikt”. Het is voldoende dat een
administratieve overheid in het bezit is van de gevraagde informatie en
deze gematerialiseerd is, om van een bestuursdocument te spreken.
Wanneer inspectieverslagen dan ook in het bezit zijn van de POD
Maatschappelijke Integratie dan moeten zij als bestuursdocumenten
worden beschouwd die onder het toepassingsgebied van de wet van 11
april 1994 vallen.
                                                                      3

Artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 betreffende de
openbaarheid van bestuur gaan uit van de principiële openbaarheid van
alle bestuursdocumenten. De toegang kan enkel worden geweigerd
wanneer de aanvrager het vereiste belang mist om toegang te krijgen tot
documenten van persoonlijke aard of wanneer één of meer
uitzonderingsgronden vermeld in artikel 6 van de wet van 11 april 1994
kan of moet worden ingeroepen en dit inroepen in concreto en in
pertinente wijze kan worden gemotiveerd.

Aangezien de inspecties veelal gebeuren naar aanleiding van klachten
bevatten, kunnen een aantal onder hen zeker als documenten van
persoonlijke aard worden beschouwd. In dit geval moet de aanvrager een
belang aantonen. De Commissie is van mening dat dit belang echter
slechts moet worden aangetoond voor informatie die een beoordeling of
een waardeoordeel bevat van een met naam genoemd of gemakkelijk
identificeerbaar natuurlijk persoon of de beschrijving van een gedrag
waarvan het ruchtbaar maken aan die persoon kennelijk nadeel kan
berokkenen en niet voor andere informatie in een document om
voldoende rekening te kunnen houden met het principe van de
gedeeltelijke openbaarmaking. Verder is het de vaste adviespraktijk van
de Commissie dat het belang steeds in het concrete geval moet worden
beoordeeld. Het is aan de POD Maatschappelijke Integratie om die
beoordeling te maken.

Het inroepen van uitzonderingsgronden moet steeds in concreto en
pertinent worden gemotiveerd. Bovendien moet worden nagegaan of de
voorwaarden die gelden voor elke uitzonderingsgrond wel zijn
gerespecteerd. Zo moet een administratieve overheid de openbaarmaking
weigeren wanneer zij op grond van artikel 6, § 2, 1° van de wet van 11
april 1994 vaststelt dat de openbaarmaking afbreuk doet aan de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hierbij zijn drie
opmerkingen te maken. In de eerste plaats wordt niet de persoonlijke
levenssfeer op zich beschermd, maar alleen de mate waarin de
openbaarmaking schade zou toebrengen aan de persoonlijke levenssfeer.
Daarnaast moet in aanmerking worden genomen de mate van
bescherming die iemand geniet afhankelijk is van de concrete persoon.
In de derde plaats wil de Commissie erop wijzen dat niet enkel de naam,
maar alle informatie die ertoe kan leiden dat de identiteit van de
betrokkene kan onthullen moet worden getoetst aan deze
uitzonderingsgrond.
                                                                       4

De Commissie sluit niet uit dat eventueel toepassing moet worden
gemaakt van artikel 6, § 1, 5° van de wet van 11 april 1994 op grond
waarvan een administratieve overheid de openbaarheid moet weigeren
wanneer het belang ervan niet opweegt tegen het belang dat gediend is
met de opsporing en vervolging van strafbare feiten. In dit geval moet
wel concreet worden aangetoond dat de openbaarmaking in het concrete
geval de opsporing en vervolging van strafbare feiten kan schaden en
mag zeker niet zomaar een algemene formulering ter motivering hiervan
worden aangevoerd.

De kans dat de uitzonderingsgrond vermeld in artikel 6, § 3, 2° van de
wet van 11 april 1994 kan worden ingeroepen voor deze
inspectieverslagen is twijfelachtig. Deze uitzonderingsgrond vermeldt
dat een federale administratieve overheid de openbaarheid kan weigeren
van een advies of een mening betreft die uit vrije wil en vertrouwelijk
aan de overheid is meegedeeld. Inspectiediensten beschikken doorgaans
over een wettelijke grondslag om informatie van de geïnspecteerde te
verkrijgen, zodat niet langer meer kan worden gesteld dat de informatie
uit vrije wil wordt verstrekt. Toch is niet uit te sluiten dat toch
getuigenissen of meningen van derden in het rapport worden vermelden
die niet onder de verplichting vallen om informatie te verstrekken en
deze vrijwillig geven. Maar dan moet wel rekening worden gehouden
met een tweede vereiste, namelijk diegene die zijn mening of opinie
geeft, moet op het moment van de verstrekking wel uitdrukkelijk de
vertrouwelijkheid hebben ingeroepen. Er moet ook op worden gewezen
dat deze uitzonderingsgrond enkel betrekking heeft op meningen of
opinies en geen betrekking heeft op feiten. Van zodra één van de
voorwaarden van deze uitzonderingsgrond niet zijn gerespecteerd, kan
de uitzonderingsgrond niet worden ingeroepen.

Of een bestuursdocument al dan niet betrekking heeft op de interne
werking van OCMW is niet relevant voor het beoordelen van de
openbaarmaking. In elk geval heeft de wetgeving het interne karakter
van een bestuursdocument niet als uitzonderingsgrond voorzien en
vormt het bijgevolg geen grondslag om de openbaarmaking te weigeren.

Evenmin kan voor OCMW’s een beroep worden gedaan op de
uitzonderingsgrond vermeld in artikel 6, § 1, 7° van de wet van 11 april
1994 op grond waarvan een administratieve overheid de openbaarheid
moet weigeren wanneer zij heeft vastgesteld dat het belang van de
                                                                         5

openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het uit de aard van
de zaak vertrouwelijk karakter van de ondernemings- en
fabricagegegevens die aan de overheid zijn meegedeeld. Er is moeilijk in
te zien dat financiële gegevens van een OCMW als ondernemings- en
fabricagegegevens zouden kunnen worden gekwalificeerd. OCMW’s zijn
immers geen commerciële organisaties. De uitzonderingsgrond in artikel
6, § 1, 7° van de wet van 11 april 1994 is er immers op gericht om private
belangen te beschermen, in tegenstelling tot artikel 6, § 1, 6° van de wet
van 11 april 1994. Deze uitzonderingsgrond beperkt zich evenwel tot de
bescherming van een federaal economisch of financieel belang, de munt
of het openbaar krediet en niet tot de bescherming van lokale
economische of financiële belangen.

Het recht van toegang dat de wet van 11 april 1994 houdt een recht op
inzage, een recht op uitleg en een recht op het verkrijgen van een kopie
in. Het komt de aanvrager toe de gevraagde informatie te verkrijgen in
de vorm die hij zelf verkiest. Als een kopie wordt gevraagd, dan moet
rekening worden gehouden met de bepalingen van het koninklijk besluit
van 17 augustus 2007 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding
verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een
bestuursdocument of een document met milieu-informatie (BS 14
september 2007).

De Commissie wenst de POD Maatschappelijke Integratie wel op te
merken dat ze er de aanvrager op kan wijzen dat de eventueel verkregen
bestuursdocumenten slechts kunnen hergebruikt worden dan onder de
voorwaarden van de wet van 7 maart 2007 tot omzetting van de richtlijn
2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november
2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie. Dit houdt onder
meer ook in dat de POD Maatschappelijke Integratie het recht heeft om
het hergebruik te weigeren.

Brussel, 2 juni 2014.




   F. SCHRAM                                             M. BAGUET
   secretaris                                            voorzitster