Table des matières

Cadas > Cada fédérale > Publicité de l'administration > Avis

Advies 92

Met betrekking tot de weigering om toegang te verlenen tot notulen van het uitvoerend comité van het Instituut voor bedrijfsrevisoren

Date: 12/11/2012

Transposition

Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten

     Afdeling openbaarheid van bestuur




                  12 november 2012




                ADVIES 2012-92

  met betrekking tot de weigering om toegang te
verlenen tot notulen van het uitvoerend comité van
        het Instituut voor bedrijfsrevisoren
                   (CTB/2012/86)
                                                                         2

   1. Een overzicht

Bij brief van 28 augustus 2012 verzoekt de heer Frank Judo, namens zijn
cliënt, de heer X om een uittreksel uit de notulen van het uitvoerend
comité van het Instituut voor bedrijfsrevisoren m.b.t. de looptijd van een
mandaat.

Bij brief van 19 september 2012 weigert het Instituut van de
Bedrijfsrevisoren om op het verzoek tot openbaarmaking in te gaan. Het
Instituut verwijst daarbij naar artikel 6, § 2, 2° van de wet van 11 april
1994 betreffende de openbaarheid van bestuur in combinatie met artikel
35 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van het Instituut
van de Bedrijfsfrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het
beroep van bedrijfsrevisor, zoals gecoördineerd op 30 april 2007, dat een
geheimhoudingsbepaling bevat voor alle werkzaamheden van het
Instituut zelf, evenals van zijn organen. Op grond hiervan oordeelt het
Instituut voor de Bedrijfsrevisoren dat de notulen van het Uitvoerend
Comité als confidentieel dienen te worden behandeld, op straffe van
mogelijke vervolging. Dit geldt volgens het Instituut voor de
Bedrijfsrevisoren zowel ten aanzien van derden, maar ook ten aanzien
van de bedrijfsrevisoren. Bovendien verwijst het Instituut voor de
Bedrijfsrevisoren naar artikel 24 van het koninklijk besluit van 7 juni
2007 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut
voor Bedrijfsrevisoren waarin niet in de mogelijkheid is voorzien tot
openbaarmaking van de notulen van het Uitvoerend Comité, dit in
tegenstelling tot de notulen van de Raad, die in welbepaalde gevallen en
mits de nodige meerderheid wel aan derden kunnen worden
bekendgemaakt.

Bij brief van 2 oktober 2012 dient de heer Frank Judo een verzoek tot
heroverweging in bij het Instituut voor de Bedrijfsrevisoren en hij vraagt
tegelijkertijd om een advies van de Commissie voor de toegang tot en het
hergebruik van bestuursdocumenten, afdeling openbaarheid van bestuur,
hierna Commissie genoemd.

   2. De ontvankelijkheid van de aanvraag

De Commissie is van mening dat het verzoek om advies ontvankelijk is.
Het verzoek tot heroverweging en het verzoek om advies zijn immers
                                                                         3

zoals artikel 8, § 2 van de wet van 11 april 1994 voorschrijft,
tegelijkertijd verstuurd.

   3. De gegrondheid van de aanvraag

Al in het advies 2012-24 bevestigde de Commissie de toepasselijkheid
van de wet van 11 april 1994 op het Instituut voor de Bedrijfsrevisoren
en haar organen. Dit wordt trouwens ook niet betwist, zodat de
Commissie op dit punt niet verder dient in te gaan.

De Commissie stelt vast dat het Instituut voor de Bedrijfsrevisoren de
openbaarmaking in eerste instantie weigert op grond van artikel 6, § 2, 2°
van de wet van 11 april 1994 in combinatie met artikel 35 van de wet
van 22 juli 1953.

Artikel 6, § 2, 2° van de wet van 11 april 1994 bepaalt dat een
administratieve overheid de openbaarmaking moet weigeren wanneer de
openbaarheid afbreuk doet aan een bij de wet ingestelde
geheimhoudingsbepaling. Niet de geheimhoudingsbepaling op zich
wordt beschermd, maar enkel informatie in de mate de openbaarmaking
ervan schade toebrengt aan die geheimhoudingsbepaling. Het inroepen
ervan moet in concreto en op pertinente wijze worden gemotiveerd. Als
uitzonderingsgrond op een fundamenteel recht aanwezig in artikel 32
van de Grondwet, moeten uitzonderingsgronden restrictief worden
geïnterpreteerd.

Artikel 35 van de wet van 22 juli 1953 luidt als volgt:

“§ 1. Onverminderd de bepalingen voorzien in § 2 en in § 4/1, is artikel
458 van het Strafwetboek van toepassing op het Instituut, zijn organen,
de leden van zijn organen en zijn personeelsleden.
 § 2. Het Instituut deelt aan de organen van publiek toezicht elke
informatie mee, met inbegrip van de vertrouwelijke, gevraagd door deze
organen voor de uitoefening van hun opdrachten zoals voorzien door of
krachtens deze wet.
  De organen van publiek toezicht mogen de ontvangen informatie enkel
gebruiken voor de uitoefening van hun opdrachten die hen zijn
toevertrouwd door of krachtens deze wet.
 De Koning bepaalt de modaliteiten inzake de uitwisseling van
vertrouwelijke informatie aan en de samenwerking met de bevoegde
                                                                         4

autoriteiten van een Lidstaat van de Europese Unie en met de bevoegde
autoriteiten van derde landen.
  § 3. In het kader van de uitoefening van zijn opdracht inzake toezicht,
kwaliteitscontrole en tucht of in geval van internationale verplichtingen,
is het Instituut gemachtigd om aan een beroepsorganisatie die in België
of in een Lidstaat van de Europese Unie een statuut en een functie heeft
die vergelijkbaar is met die van het Instituut, informatie over een
bedrijfsrevisor en zijn activiteit mede te delen of van die organisatie te
ontvangen.
  § 4. Onverminderd de bepalingen bedoeld in de tweede paragraaf en in
paragraaf 4/1]1, mag informatie die onder het beroepsgeheim valt, aan
geen enkele persoon of autoriteit worden openbaar gemaakt, behalve
wanneer dit wordt vereist door de wetgeving, regelgeving of
administratieve procedures van een Lidstaat van de Europese Unie.
  § 4/1. Het Instituut deelt aan de Autoriteit voor Financiële Diensten en
Markten of aan de Bank elke nuttige informatie voor de uitoefening van
hun bevoegdheden mee.
  § 5. De informatie door de Raad verkregen bij de uitoefening van één
van zijn opdrachten, mag worden gebruikt in het kader van de
uitoefening van één of meer andere opdrachten die hem door
onderhavige wet zijn toegekend.”

Artikel 35 van de wet van 22 juli 1953 breidt het beroepsgeheim uit tot
het Instituut, zijn organen, de leden van zijn organen en zijn
personeelsleden zoals dit in artikel 458 van het Strafwetboek is
omschreven. Artikel 458 van het Strafwetboek luidt als volgt:

“Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, en alle andere
personen die uit hoofde van hun beroep kennis dragen van geheimen die
hun zijn toevertrouwd, en die deze bekendmaken, buiten het geval dat
zij beroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het
geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden
gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met
een geldboeete van 100 tot 500 frank.”

Uit deze bepaling blijkt dat niet alle informatie in het bezit van het
Instituut van de Bedrijfsrevisoren onder deze geheimhoudingsbepaling
valt, maar enkel “geheimen die hun zijn toevertrouwd uit hoofde van
hun beroep”. Bovendien gelden noch artikel 35 van de wet van 22 juli
                                                                                5

1953, noch artikel 458 van het Strafwetboek absoluut. Beide bepalingen
bevatten immers een aantal uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht.

De stelling van het Instituut voor de Bedrijfsrevisoren doet afbreuk aan
het restrictieve karakter van de ingeroepen uitzondering en is niet
afdoende gemotiveerd. Er blijkt hoegenaamd niet dat de gevraagde
informatie moet worden opgevat als een geheim dat is meegedeeld.

De Commissie wenst er bovendien op te wijzen dat artikel 35 van de wet
van 22 juli 1953 verder wordt genuanceerd in artikel 79, § 1 van dezelfde
wet die als volgt luidt:

Ҥ 1. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bedrijfsrevisoren,
de stagiairs en de personen voor wie ze instaan. Buiten de uitzonderingen op de
geheimhoudingsplicht waarin dit artikel voorziet, geldt deze plicht tevens niet
voor:
 a) de mededeling van een attest of van een bevestiging verricht met de
      schriftelijke toestemming van de onderneming waarbij zij hun taak
      uitoefenen;
 b) de mededeling van een attest of van een bevestiging gericht tot een
      commissaris of een persoon die in een onderneming naar buitenlands
      recht een gelijkaardige taak uitoefent als deze van commissaris, binnen het
      kader van de hun toevertrouwde controle over de jaarrekening of de
      geconsolideerde jaarrekening van een onderneming;
 c) de raadpleging door een bedrijfsrevisor in het kader van een opvolging in
      een revisorale opdracht, van de werkdocumenten van een bedrijfsrevisor
      die voorafgaandelijk dezelfde revisorale opdracht uitoefende;
 d) het contact van een bedrijfsrevisor met een andere bedrijfsrevisor wanneer
      de eerste ertoe gebracht wordt om het werk of de attestering van de
      tweede in het gedrang te brengen behalve in geval van verzet van de
      persoon die de opdracht heeft toevertrouwd aan de eerste bedrijfsrevisor;
 e) het contact tussen de bedrijfsrevisor en het Instituut, zijn organen en in
      het bijzonder de organen belast met het organiseren van het toezicht en de
      kwaliteitscontrole.
 f) de overdracht van informatie, waaronder vertrouwelijke, gevraagd door
      een orgaan van publiek toezicht in het kader van zijn opdrachten en van
      de nationale en internationale samenwerking overeenkomstig de
      voorwaarden bepaald in hoofdstuk IX en de maatregelen genomen ter
      uitvoering ervan.

  § 2. Wanneer een rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening opstelt,
 zijn de commissaris van de consoliderende rechtspersoon en de
                                                                              6

 commissarissen van de geconsolideerde rechtspersonen, de ene ten opzichte
 van de andere, bevrijd van het beroepsgeheim, binnen het kader van de hun
 toevertrouwde controle over de geconsolideerde jaarrekening van een
 onderneming. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten opzichte van een
 persoon die in een rechtspersoon naar het recht van een land van de Europese
 Unie, een gelijkaardige taak uitoefent als deze van commissaris. In de zin van
 huidig lid wordt met de commissaris gelijkgesteld de bedrijfsrevisor die,
 zonder het mandaat van commissaris uit te oefenen, belast is met de controle
 over de geconsolideerde jaarrekening.”

 Uit deze bepaling blijkt dat de strafrechtelijk gesanctioneerde
 geheimhoudingsbepaling niet geldt met betrekking tot de uitwisseling
 van informatie in het contact tussen het Instituut en een bedrijfsrevisor.
 Er werd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 1953
 bovendien benadrukt dat het beroepsgeheim niet van toepassing is op
 de verhoudingen van de bedrijfsrevisor met de gezagdragers van de
 beroepsorde in tuchtaangelegenheden. Het is dus manifest onjuist te
 beweren dat artikel 35 van de wet van 22 juli 1953 ook steeds tegenover
 bedrijfsrevisoren kan worden ingeroepen.

 In tweede orde roept het Instituut voor de Bedrijfsrevisoren artikel 24
 van het huishoudelijk reglement in. De Commissie wil opmerken dat
 beperkingen op het recht van toegang tot bestuursdocumenten enkel bij
 wet, decreet of ordonnantie kunnen worden opgelegd en zeker niet bij
 huishoudelijk reglement. Bovendien stelt de Commissie vast dat artikel
 32 van de Grondwet het principe huldigt dat alle bestuursdocumenten
 openbaar zijn. Het feit dat geen melding wordt gemaakt dat bepaalde
 documenten openbaar worden gemaakt, kan nooit zo worden
 geïnterpreteerd dat hierin een weigeringsgrond kan worden
 teruggevonden.

Brussel, 12 november 2012.




   F. SCHRAM                                                    J. BAERT
   secretaris                                                  voorzitter